This page looks plain and unstyled because you're using a non-standard compliant browser. To see it in its best form, please upgrade to a browser that supports web standards. It's free and painless.
Home
Lees fragmenten
Copyright
Fragment eerste reis
Fragment tweede reis
Intermezzo Santiago
Bestellen
De route
Over de auteur
Fotoindex
Bibliografische gegevens
Reacties
Gastenboek
Links
![]()
Onderstaand
intermezzo is
ontleend aan De
weg naar Santiago de Compostela: Analyse van
verhalende bronnen als graadmeter voor een gemeenschappelijk
gedachtegoed, Annick Plancke, 2002, Universiteit van Gent,
Faculteit der Letteren.
Tekst overgenomen, aangepast en ingekort. Tussenvoegingen over de
onwaarheid van de apostel in Spanje zijn van mijzelf.
Zie ook: Xavier Barral I Altet, Compostelle
Le grand chemin,
Découvertes Gallimard Religions, 1993 en 2002.
Zie ook de linkpagina.
Intermezzo
- Saint-Jacques
Wie is nu eigenlijk die Saint-Jacques, de heilige
Jacobus,
waar zoveel mensen achteraan lopen. Naar toe lopen. Zoals alle
heiligenverhalen is het een brij van waarheid en leugen. De ontwarring
is moeilijk.
Het verhaal is het resultaat van de vermenging van Kerk en staat. Van
wereldlijke wensen en goddelijke verlangens. Van seculiere integriteit
en religieuze vervorming.
Dit alles leidend tot de leugen.
Jacobus en zijn jongere broer Johannes waren de zonen van de
Galileïsche visser Zebedeus. Ze werden door Christus als
apostelen aangeworven. Christus gaf hen de naam Zonen van de donder
(Mar. 3,7-19). Die naam ontleenden ze aan het verhaal waarin ze samen
met Jezus op weg gingen naar Jeruzalem. Toen de broers in een
Samaritaans dorp geen onderdak kregen, stelden ze de Meester voor om
'het vuur uit de hemel over die ongastvrije mensen te doen neerdalen'
(Luc. 9,51-56). Beide broers kregen het ook aan de stok met de overige
tien apostelen, toen hun moeder, Maria-Salomas, voor hen de beste
plaats opeiste in het komende rijk van de Messias. In het
apostelcollege vormden ze met Petrus een bevoorrecht groepje. Ze
mochten aanwezig zijn bij de verheerlijking van Jezus op de berg Thabor
en ze waren ook getuige van Jezus' doodsangst in de Hof der Olijven.
Na de Hemelvaart van Jezus verbleef Jacobus met de overige apostelen en
discipelen te Jeruzalem. Hij schijnt, evenals de andere apostelen, in
de stad te zijn gebleven tijdens de eerste vervolgingen in Jeruzalem
tegen de Kerk. Waarschijnlijk verkondigde hij, zoals een apocriefe bron
vermeldt, de Blijde Boodschap in Judea en Samaria. Herodes Agrippa liet
een aantal leden van de Kerk opsluiten, waarbij hij Jacobus
veroordeelde tot de doodstraf met het zwaard, in het jaar 43 of 44.
Jacobus werd dus onder de apostelen de allereerste martelaar voor de
Heer. Hij moet op het ogenblik van zijn terechtstelling een man van
middelbare leeftijd zijn geweest en zo wordt hij ook hij het meest
afgebeeld in de iconografie.
Tot hier is er nog geen sprake van een relatie tussen de apostel
Jacobus en Spanje. Dit gegeven verschijnt voor de eerste keer in de 7e
eeuw in een Latijnse versie van de apostelgeschiedenis Breviarium
Apostolorum: deze [Jacobus] heeft gepredikt in het westen van Spanje;
hij kwam om door het zwaard van Herodes en werd begraven in Achaia
marmorica. Deze laatste benaming wordt in de latere legendevorming Arc
marmorica. Het is een toponymische term die verband houdt met de
aanwezigheid van een antiek grafveld. Dit was de aanleiding tot het
opsporen van het graf van de apostel op een oud Romeins kerkhof,
gelegen op de plaats die later Compostela werd genoemd. Het bericht van
de prediking van Jacobus in het westen van het Iberische schiereiland,
is in Spanje bekend vanaf de 8e eeuw. Dit is af te lezen aan een
liturgische hymne, in Noordwest-Spanje opgesteld door de monnik Beatus
van Liebana.
De hymne, ter ere van koning Mauregatus van Asturië (783-788),
leert meer over de datering en houdt ook een zekere mate van associatie
in van Jacobus met de strijd tegen de oprukkende islam. In deze hymne
wordt de apostel tutor, de beschermer, en patronus vernulus,
hulpvaardig beschermheer, van Spanje genoemd. Deze twee elementen
zullen in de latere Jacobustraditie nadrukkelijk terugkomen.
De jonge Asturische Kerk greep deze legendarische versie met beide
handen aan in tijden van verdediging tegen het adoptianisme en tegen de
islam, die haar dreigde te verstikken. De Asturische Kerk kon op die
manier haar oorsprong verbinden aan een apostel van Christus. Hierbij
werkten andere grote kerken, zoals die van Rome en Alexandrië
inspirerend. De weg was vrij tot het herontdekken van het vermeende
graf van Jacobus in Galicië.
De meest waarschijnlijke begraafplaats van Jacobus Major is de
Olijfberg. Dit merkte Antoninus van Piacenza op, toen hij rond 570
rondreisde in het Heilig Land. Ook in een vroeg 8e eeuwse tekst uit het
Noord-Italiaanse klooster Nonantola, wordt de Olijfberg als
begraafplaats van Jacobus Major genoemd. Een eeuw later, toen Ado van
Vienne (± 804-875) zijn kroniek schreef, twijfelde hij
evenmin. Maar de legende ging in Spanje een eigen leven leiden.
Over de ontdekking van Jacobus' graf in Spanje worden we ingelicht via
de Concordia de Antealtares (1077) en de Historia Compostelana (begin
12e eeuw). Een kluizenaar, Pelagius, werd in een droom verwittigd van
de plaats waar zich de stoffelijke resten van de apostel bevonden.
Bisschop Theodomirus van Iria Flavia, gaf opdracht (813-818) de oude
Romeinse begraafplaats te Compostela te onderzoeken. Men ontdekte in
een Romeins mausoleum het lichaam van de apostel. De vindplaats werd
aangewezen door een schitterende ster en dat was de aanleiding tot de
benaming campus stellae, later als etymologische verklaring gebruikt
voor de naam Compostela, sinds 1056 in gebruik.
De vondst van Jacobus' graf gaat in de Compostelaanse traditie door als
de herontdekking van een graf. Men was na twee eeuwen verwaarlozing de
precieze locatie kwijtgeraakt. Op zijn graf werd een stenen altaar
gebouwd en een eerste kerk opgericht door de Asturische vorst Alfons
II. In de tweede helft van de 9e eeuw werd de kerk door Alfons III
vervangen door een groter complex, bestaande uit drie kerken. In 997
werd het vernietigd door de strafexpedities van de Moorse kalief Al
Mansur. Deze expedities waren gericht tegen de grote religieuze centra
van León en Castilië en de heiligdommen van
Santiago de Compostela en van San Millán de la Cogolla.
Ze vormden een grote identiteitsuiting van een andere, niet Arabische,
niet moslim groep. En dus vormden ze een bedreiging. Zoals ook de
westerse Kerk zelf andere uitingen als bedreiging zag.
Gelijktijdig met de ontdekking van zijn graf ontwikkelde zich in Spanje
het geloof aan de overbrenging of translatio van het lichaam van de
apostel naar Galicië.
Het verhaal is opgenomen in het derde boek van het Liber Sancti Jacobi,
de Codex Calixtinus. Dit boek is gewijd aan de evangelisatie van Spanje
door Jacobus en voor het grootste deel ook aan de overbrenging van zijn
lichaam naar Galicië, de Translatio Sancti Jacobi. Men
behandelt de hele hagiografie van Jacobus. Zijn vita - het leven van de
Heilige, inventio - de terugvinding, elevatio - de verheffing,
translatio - de overbrenging en miracula - de mirakelen.
Deze Jacobusoverlevering kwam niet alleen terecht in het Boek van
Sint-Jacobus, maar eveneens in enkele liturgische geschriften met
enkele variaties. Zoals bij Honorius van Autun (d. 1152) en
Johannes Beleth (d. 1182) en in het Speculum historiale van
Vincentius van Beauvais (± 1190- ± 1264). Uit dit
Speculum historiale werd het verhaal rond 1285 overgenomen door Jacob
van Maerlant (± 1235 - 1300) in zijn Spiegel historiael,
waardoor de Jacobuslegende ook in de Nederlanden bekend werd. Via
Johannes Beleth kwam het terecht in de Legenda aurea van Jacobus van
Voragine (± 1228 - 1298), één van de
meest gelezen en vertaalde werken van de Middeleeuwen.
Zo kwam stap voor stap de overlevering tot stand dat Jacobus Major,
broer van Johannes, zoon van Zebedeus, na de eerste Pinksteren het
christendom heeft gepredikt in Spanje. Hij keerde terug naar Jeruzalem
waar hij werd onthoofd. Tenslotte brachten zijn leerlingen zijn lichaam
naar Galicië, waar hij werd begraven.
Wat dus niet waar is.
Maar wat door velen nog steeds wordt geloofd.
Sinds de ontdekking in ongeveer 817 van het graf van
Sint-Jacobus, ontwikkelden zich diverse routes voor pelgrims richting
Compostela. Het is moeilijk na te gaan wanneer juist de eerste pelgrims
toestroomden op de plaats van Jacobus' graf. Het is niet eenvoudig een
chronologisch overzicht te geven van de bedevaarten naar Santiago.
Informatie van de eerste bedevaarten is er vanaf de 10e eeuw.
De eerste buitenlandse pelgrim die uit de bronnen bekend is, is
Godescalc, bisschop van Le Puy. Slechts indirect is er in de documenten
van het klooster van San Martin de Albelda in Rioja, dat hij bezocht op
zijn terugreis, een aanwijzing te vinden van Godescalcs reis. Zijn
bezoek aan Compostela is circa 950 te situeren.
Enkele jaren later, circa 959, bezocht abt Caesarius van Montserrat
Compostela. Via het apostolische gezag van de kerk van Sint-Jacobus,
wilde hij de Tarragonese kerk in eer herstellen. Hieruit blijkt dat het
bisdom Iria Flavia langzaamaan een apostolische status verwierf en dat
ook buitenstaanders, als Caesarius, dit aanvaardden. De bisschoppen van
Iria Flavia kenden zich de status toe van 'bisschop van de apostolische
stoel', net als de pausen van Rome. De pausen hadden hier moeite mee.
Het zat niet lekker tussen Rome en Compostela.
Van een derde pelgrim, Raimond van Rouergue, weten we dat hij in 961
als pelgrim op weg naar Compostela vermoord werd.
Om de tocht naar Compostela te vergemakkelijken werden verschillende
pelgrimshuizen langs de reisweg opgericht. Pelgrims gingen op bedevaart
voor individuele devotie, omdat ze gedelegeerd waren, gezonden door
vrome gemeenschappen of een stad, of als strafrechtelijke boete.
Pelgrimstochten in het algemeen, zijn een bijzonder verschijnsel van
uiterlijke geloofsbeleving. In de middeleeuwse christelijke wereld,
maar ook in andere religies.
De roofoverval van Al Mansur in 997 op Compostela vernielde kerk en
stad. De volgende jaren waren moeilijk voor het bedevaartswezen. Verder
waren er de plunderexpedities van de Noormannen langs de Galicische
kusten, waar ze o.a. de stad Túy vernielden.
Rond 1050 organiseerde bisschop Cresconius de verdediging langs de
zeekant van Compostela. Een grote muur werd gebouwd, evenals het
kasteel Honesto. Toch bleef het maar pover als verdediging tegen de
invasies vanuit de Atlantische Oceaan. De Vikingen waren goed
vertegenwoordigd in christelijk Europa en ze noemden Galicië
vanaf het einde van de 11e eeuw Jacobsland. Bisschop Cresconius liet
als bescherming twee torens bouwen net voor de heropgebouwde kerk van
Compostela. De torens zouden later worden afgebroken bij de bouw van de
nieuwe en definitieve romaanse basiliek. Cresconius werd
geëxcommuniceerd door het concilie van Reims in 1049. De
pausen hebben altijd gevonden dat de titel 'apostolisch' alleen mag
worden gebruikt door de opvolgers van de heilige Petrus. Deze
excommunicatie belette Cresconius' opvolger Godestus niet de titel
'bisschop van de apostolische stoel' te gebruiken.
In de loop van de 11e eeuw kregen de Jacobuslegende en Jacobusverering
hun definitieve vorm en betekenis. In de tweede helft van de 11e eeuw
groeide het aantal pelgrims aanzienlijk. Compostela nam een steeds
arrogantere houding aan van verzet tegenover Rome. De pausen vreesden
dat, net zoals de Roomse kerk dankzij de apostel Petrus de andere
kerken leidde en overheerste, nu de kerk van Sint-Jacobus dankzij zijn
apostel hetzelfde wilde doen ten aanzien van de andere westerse kerken.
Rome is gesust als, tegen het einde van de 11e eeuw, de Cluniacenzer
Dalmatius de stoel van Compostela bezet. Op dat moment is de lijn Rome,
Cluny en Santiago geheel in handen van Cluny. Het is het toppunt van
haar macht. Op het concilie van Clermont-Ferrand in 1095 aanvaardt paus
Urbanus II (ook van Cluny) de verplaatsing van het bisdom Iria Flavia
naar Compostela.
Na de heropbouw van de kerk van Compostela, kende het bedevaartswezen
succes en groeide uit tot een internationaal verschijnsel dat alle
andere Europese bedevaarten overschaduwde. Men vereerde immers in
Compostela het lichaam van de enige in het westen begraven apostel.
Aangezien dat graf aan het einde van de wereld (Finistère)
lag, werden de vrome drijfveren om op bedevaart te gaan nog eens
versterkt door de verleiding van het avontuurlijke.
Het succes van Santiago de Compostela blijkt uit het feit dat
belangrijke personen als Willem V, hertog van Aquitanië, het
ene jaar Rome, het andere jaar Compostela verkozen tot reisdoel van hun
jaarlijkse bedevaarten.
Compostela zou HET belangrijke Europese bedevaartsoord worden,
gelijkwaardig aan Jeruzalem en Rome. Compostela groeide uit tot een
groot commercieel centrum van aanzienlijk belang en omvang. Dat had de
stad louter te danken aan het pelgrimswezen.
Vanaf het midden van de 11e eeuw verlaat de Sint-Jacobustraditie en de
Compostela-bedevaart de beperkte sfeer van de Spaanse Mozarabische Kerk
en opent zich voor het christelijke Europa. Verschillende factoren zijn
hierop van invloed geweest. De grote Spaanse vorsten, waaronder Alfons
VI (1072-1109); het tot stand komen van het definitieve
tracé van de camino francès, de grote weg die
door Frankrijk en Noord-Spanje naar Compostela leidde ; het invoeren
van de Roomse liturgie (1080), die de oude Mozarabische ritus verving;
de vestiging van Franse koop- en handwerklieden met hun kolonies in de
steden langs de bedevaartsroutes; en in de laatste decennia van de 11e
eeuw, de aansluiting bij de grote Frans-romaanse bouwstijl van het
christelijke westen. Om kort te gaan, de invloed van de monniken van
Cluny bij de organisatie van de bedevaartsweg.
Het fenomeen Compostela krijgt een meer Europees karakter, terwijl ook
de stad zelf aan belang wint. De bisschoppelijke zetel van Iria Flavia
wordt naar Compostela overgebracht. Dankzij de giften van de steeds
talrijkere bedevaarders en van de monarch Alfons VI, begint bisschop
Diego Peláez in 1075 de bouw van een nieuwe en grootse
bedevaartsbasiliek, door Franse bouwmeesters en in romaanse stijl
opgericht. Bisschop, later aartsbisschop, Diego Gelmírez,
oud-monnik van Cluny, voltooit dit werk in de loop van de 12e eeuw. Hij
krijgt de eer toegewezen de man te zijn die Compostela en de
Jacobeïsche bedevaart haar hoogste bloei bezorgde. Compostela
werd onder hem een tweede Rome en de bedevaart naar Sint-Jacobus' graf
groeide uit tot een internationaal fenomeen. Voor de iconografie van de
apostel is dit succes van de bedevaart naar zijn graf belangrijk. De
Jacobus apostolus wordt de Jacobus peregrinus.
Het is goed even naar Cluny te kijken, omdat Cluny een specifieke
relatie had tot Spanje en het bedevaartswezen naar Santiago de
Compostela. Bisschop Diego Gelmírez was politiek gericht op
Rome en op haar steunpunt in Frankrijk, de abdij van Cluny. Cluny was
op dat ogenblik, volgens de Historia Compostelana 'het hoofd en de
hoofdstad van de hele monastieke religie'. De voorganger van Diego
Gelmírez, Dalmatius, was Cluniacenzer monnik. Dankzij
Dalmatius verkreeg de verplaatsing van de bisschopszetel van Iria
Flavia naar Compostela de officiële erkenning door paus
Urbanus II, een cluniacenzer paus, op het concilie van Clermont-Ferrand
in 1095. Bisschop Diego Gelmírez verkreeg in 1104 het
gebruik van het pallium, een witte wollen band als ereteken, en in 1120
promoveerde paus Calixtus II, een cluniacenzer paus, Compostela tot
aartsbisdom, op aanvraag van abt Pons de Meigueil van Cluny.
Cluny had een belangrijke invloed op religieus vlak. Het had de
aspiratie Spanje te saneren dat door de Saracenen bedreigd werd. Cluny
zou een religieus netwerk uitbouwen, van Bourgondië tot
Santiago. De religieuze missie kreeg een onderbouwing op politiek vlak.
Werd politiek. De Cluniacensische abten haalden contacten aan met de
politiek leiders van de 11e en 12e eeuw en op initiatief van de Spaanse
soevereinen werd Cluny aangehaald. Omstreeks 1032 zond Sanchez de Grote
van Navarra Paternus naar Cluny om daar hulp te vragen. Bij zijn
terugkeer in Spanje hervormde Paternus de abdijen van San Juan de la
Peña en Leyre, die zich aan het begin van de camino
bevinden. Sanchez' drie zonen, Garcia van Navarra, Ramirez en
Ferdinand, onderhielden het contact met Cluny. Alfons VI van
Castilië zond de monnik Robert uit om op zijn beurt Sahagun te
reformeren naar Cluniacensische regel. In ruil schonk hij Cluny
financiële middelen om de kerk Cluny III te kunnen bouwen. Om
de spirituele alliantie te versterken huwde Constance, de nicht van abt
Hugues de Semur van Cluny en dochter van de Bourgondische hertog,
Alphonso VI van Castilië rond 1079.
Cluny oriënteerde sterk op de politiek en toekomst van Spanje,
door middel van raadgevingen die de Cluniacensische monniken in Spanje
aan de Spaanse prinsen gaven en ook door de goede relaties te
onderhouden tussen Frankrijk en Spanje. Cluny beschouwde de instelling
van de bedevaart als een manier om een bolwerk te creëren
tegen de Moren.
Gelijktijdig met de bouw van de basiliek te Compostela, komt in de 12e
eeuw ook een schriftelijke documentatie tot stand. Het Boek van Jacobus
(Codex Calixtinus) en de Historia Compostelana. Beiden zijn
geconcipieerd door Diego Gelmírez.
De Historia Compostelana is door Diego Gelmírez opgevat als
een rechtvaardiging en uitleg van de gebeurtenissen uit de geschiedenis
van zijn bisdom. Het is geschreven in de periode 1107 tot 1139. Vanaf
1120 werd Compostela de zetel van het aartsbisdom. Deze Historia begint
bij de oorsprong van de verering van Jacobus en de vroege geschiedenis
van de zetel van Iria. Vanaf de 13e eeuw kreeg het meer prestige
toegemeten als historische bron over de zetel van Compostela.
Het Boek van Sint-Jacobus, ook bekend als het Liber Sancti Jacobi of
Codex Calixtinus, is het literaire monument voor Jacobus en het
hoogtepunt in de Jacobus-literatuur. Volgens M.C. Diaz y Diaz was het
oorspronkelijk bedoeld als een propagandawerk voor de verering van
Jacobus en voor de bedevaart. Het dateert uit het begin van de 12e eeuw
en werd met meer ambitie bijgewerkt in het midden van dezelfde eeuw. De
Codex Calixtinus is een bedevaartgids, de eerste, toegeschreven aan
Aimery Picaud van Parthenay-le-Vieux. In deze gids staan de wegen naar
het bedevaartsoord en ook de basiliek van deze stad beschreven. In de
Codex neemt het Boek van Jacobus uiteindelijk een andere vorm aan. Het
overgrote gedeelte bestaat uit preken en liturgische teksten die
betrekking hebben op de apostel. Hier wordt Jacobus voorgesteld als
ridder van Christus. Het omvat het Boek van Wonderen, teksten over de
Jacobus-traditie waar hij de beschermheilige is van de pelgrims, en de
Gids voor de pelgrim, het eerste uitgewerkte reisboek naar Compostela.
Later, tussen 1140 en 1150, werd de Kroniek van de Pseudo-Turpijn
toegevoegd waarin vooral de rol van Karel de Grote wordt belicht. Deze
Kroniek koppelt de legende van Karel de Grote en Roeland aan de
Jacobeïsche cyclus. Binnen het Asturische koninkrijk nam de
Jacobusverering snel een specifieke vorm aan. De voorstelling van
apostel en 'mensenvisser' evolueerde naar een beeld van ridder van
Christus. Verhalen ontwikkelden zich hoe Jacobus op zijn witte paard
aan gevechten tegen de moslims deelnam, maar weergave hiervan vinden we
niet in andere teksten uit die tijd. Omstreeks 840, de slag bij
Clavijo. Jacobus als schitterend ridder op zijn wit paard, bezorgde het
christelijke leger de overwinning op de moslims.
Santiago Matamoros was geboren, Jacobus de Morendoder.
Naast de internationalisering van de Sint-Jacobus figuur als
apostel-peregrinus, ontwikkelt zich dus ook het beeld van de
apostel-strenuissimus miles, de apostel-dappere krijger en voorvechter
van de Spaanse christenheid tegen de Moren, de Matamoros. Jacobus
krijgt zo zijn religieuze betekenis en een politieke. Door dergelijke
verhalen werd Jacobus de beschermheilige van de Reconquista.
Deze teksten hadden natuurlijk geen rechtstreekse invloed op de gewone
man. Zij waren analfabeten. De invloed is indirect van aard. Door de
legitimatie van de legende, brengt men de bedevaarttraditie op gang en
gaan de geestelijken het zelf ook geloven. De burger wordt
beïnvloed via de monniken en de parochiepriester. Via de
preekstoel.
De leugen wordt waarheid. Propaganda.
Dankzij de legendarische aanwezigheid van de stoffelijke resten van de
apostel was Noordwest-Spanje van Saraceense verovering gevrijwaard
gebleven. Het is dus logisch dat Jacobus werd gezien als de
beschermheilige bij uitstek van het Latijns-christelijke Spanje. Daarom
ook werd hij later de geestelijke schutspatroon van de Reconquista, de
christelijke herovering van Spanje op de islam en ook de expansie in
Latijns-Amerika. Door de hulp en het militaire beschermheerschap van
een en dezelfde heilige werd de strijd tegen de Moren en de indianen
gelegitimeerd.
Jacobus was niet alleen de schutspatroon van Galicië, maar van
heel Spanje. Dat patronaat steunde het prestige van het koningschap van
Asturië, Galicië, León en later
Castilië tegenover de rivaliserende pretenties van Navarra en
Aragon. Zo namen de Asturische vorsten met de identificatie van de
Reconquista met Jacobus hun interne en externe rivalen de wind uit de
zeilen. Nu konden ze hun optreden tegen de islam in Spanje
rechtvaardigen.
Jacobus werd een Spaans nationaliserend verschijnsel. Sint-Jacobus
wordt de patroon van Spanje, Patrono de las Españas.
Joseph Bédier verklaarde de ongelofelijke opgang van de
bedevaart naar Santiago de Compostela als het resultaat van de
propaganda uitgaande van de abdij van Cluny. Het Boek van Sint-Jacobus
maakt volgens Bédier deel uit van deze propaganda.
De bedevaart naar Santiago de Compostela wordt de protagonist voor de
romanisering en Europese integratie van het Iberische schiereiland
genoemd. De bedevaartsroute diende als verkeersweg waarlangs personen
en gedachtestromingen circuleerden.
Dankzij de grote dichtheid van trefpunten en kloosters binnen dit
netwerk van pelgrimroutes, is het waarschijnlijk dat de routes naar
Compostela zich uitstekend leenden tot propagandakanaal om anti-Moorse
ideeën te gaan verspreiden. Als je hierop doordenkt lijkt het
onaanvechtbaar dat de abten van Cluny daar een grote rol in hebben
gespeeld. Of de propaganda nu daadwerkelijk in Cluny is vervaardigd, is
dan niet meer interessant. De invloed is helder. En veel gegadigden
zullen er in de omgeving verder niet zijn geweest.
Het is het verhaal van een volgeling van Christus. Vervormd door de tijd, Kerk en staat. Gebruikt door de tijd, Kerk en staat. Geloofd door onwetenden en geweten door heersenden.
Het is het verhaal van propaganda.
Saint-Jacques is gemaakt van en voor de politiek tegen de islam.
Saint-Jacques is gerelateerd aan kruistochten, moord en doodslag.
Einde Intermezzo