Le Puy en Velay

In 2003 strandde ik, op mijn wandeling, voor drie weken in Le Puy en Velay vanwege de hitte. Klimaatverandering was nog geen hot-topic. Nu, precies 14 jaar later, is er veel veranderd. Macron doet de republiek bewegen, het klimaat is nu merendeels onderdeel van het gemeenschappelijk geweten en het is weer heet. Erg heet.

Gisteren won Bauke Mollema de etappe van de Tour de France, die eindigde in Le Puy en Velay. Het bracht wat terug in herinnering en is een mooie reden voor mij, om mijn beschrijving van Le Puy en Velay, het oude Le Puy, hier als blog te plaatsen.

Voor wie iets wil weten over deze stad, met name de oude stad en over hoe ik daar rond liep.
Voor Bauke en de anderen.
Zo maar.

Le Puy-en-Velay

Le Puy-en-Velay ligt in een oude krater met randen van basalt en binnenin twee ba­salt blokken. Op de een, de Rocher Cor­neille, staat de kathedraal waaromheen de stad is gebouwd. Op de top staat een zeer grote gietijzeren Heilige Maagd met haar kleintje. De Notre-Dame-de-France. Op het an­dere, kleinere, basaltblok aan de noordzijde van de grote rots staat een kleine kapel. Het kerkje van Saint-Michel d’Aighuilhe. Aan de voet van deze mini­atuur Mont Saint-Michel ligt de camping van Le Puy. Een een­voudige municipal. Het tentenveldje ligt recht tegen­over het ge­bouw met dou­ches en toiletten. Dat maakt knap wat her­rie, maar ik let er niet zo op omdat het toch maar voor korte tijd is.

Ik douche, doe de was, bekijk de stad. De oude stad is mooi. Het is een bijzondere stad. Vooral door de overheersing door de ka­thedraal. Zelfs als je niet religieus bent, wordt je gegrepen door de opzet en uitvoering van het geheel. Le Puy is de kathe­draal. De kathedraal is Le Puy. Het ge­heel is niet los van elkaar te zien. Zelfs in de moderne tijd niet. Het toerisme, waar de stad in hoge mate van afhankelijk is, naast de ambtenarij van het departe­mentaal hoofdstedelijke, heeft zijn bestaan te dan­ken aan de kathedraal. De kantklossters die overal in de straatjes zitten te werken, zouden dat niet doen zonder de zwarte ma­donna.

De stad is de Kerk. De Kerk is de stad.

De religie is de economie en de economie is de religie.

Gevel van kathedraal in Le Puy en Velay

Gevel van kathedraal in Le Puy en Velay

De rondweg heeft veel winkels en op het grote plein aan de oost­kant van de stad is de VVV. Ik koop daar een kaart voor de grote attracties van de stad. Het kerkje van Saint-Michel op de rots bij de camping, de Notre-Dame-de-France en het klooster. De kathe­draal is zoals alle kerken vrij toegankelijk. Er is ook nog een mu­seum, maar ik heb daar geen zin in. Later hoor ik dat het de moeite waard is. Voordat ik de kathe­draal ga bekij­ken eerst maar even de toeristische zaken.

Het kerkje van Saint-Michel heeft trouwens veel met pelgri­mage te doen. Het is niet alleen toe­risme. Maar als kerk niet meer in gebruik, betalen dus. Saint-Michel is de schutspatroon van de pelgrims en voor vertrek moet je daar als pelgrim dan ook even gaan bidden. Het kerkje is ge­bouwd door Godescalc, de bisschop van Le Puy, die als een van de eerste bekende personen de be­devaart naar Santiago de Com­postela heeft volbracht rond 950. Als voorbeeldfunctie. 268 Tre­den leiden omhoog. Het is weer warm. Het portaal is omgeven door prachtig beeldhouwwerk en oogt als de plattegrond van een romaanse kerk met zijn drie cir­kelvormige uitstulpingen.

Exterieur kapel Saint Michel d’Aiguilhe in Le Puy en Velay

Exterieur kapel Saint Michel d’Aiguilhe in Le Puy en Velay

Het is een oude kapel, de kapel van Godescalc, en daaromheen nog een tweede kapel van later da­tum. Ook hier duidelijk Arabische invloeden. De oorspronkelijke toren was bij zwaar weer ergens in de 12e eeuw verloren ge­gaan, maar in de periode van de restauratie na de revolutie is die er maar weer bij gezet. Het is een van de meest kale en daarmee een van de meest bijzon­dere kerkjes die ik zie. Mooi uitzicht rondom maakt het bezoek af.

De Notre-Dame-de-France is van een geheel andere orde. Het is een gietijzeren beeld uit de 19e eeuw, gemaakt van kanon­nen die buitgemaakt waren op de Russische vloot. Er liggen nog enkele kannonnen boven bij het beeld. Het is een lekkere klim met een prachtig uitzicht over de stad en de kathedraal. Net als het vrij­heidsbeeld van Amerika is het beeld ook bin­nenin te be­klimmen met wat gietijzeren trapjes. Er zijn wat luikjes waar­door je naar buiten kunt kijken. In het beeld ont­staat de illusie dat het omvalt. Ik weet niet hoe het komt, maar ik was niet de enige die de illusie had. Het is een rare ervaring. Het hoofd mag je niet in en er net onder, in de linker borst, zit ik met een Frans gezin naar buiten te kijken. Voorzichtig weer naar bene­den. Ik ben blij als ik weer bij haar voeten sta. Het is een krankzinnig beeld.

Het klooster bewaar ik voor later.

Ik wil mezelf feliciteren met het bereiken van Le Puy-en-Velay met een lekkere maal­tijd en loop een Spaans restaurant in. Pa­ella met een glas wijn lijkt me lekker. Het is uit blik, slecht op­ge­warmd en te weinig en dat voor € 8,‑. De wijn is een klein glas voor € 3,‑. Het brood is uren geleden gesneden en half uitge­droogd. Als ik betaal staat de ober naast me en pakt de eerste munten van de tafel voordat ik het volledige bedrag heb neerge­legd. Ik ben woest! Ik weet het zeker. De volgende keer dat me zoiets overkomt spuug ik op het geld. Het is de slecht­ste ervaring die ik in Frankrijk opdoe. Dit is ver beneden ni­veau. Later zal ik het in een context kunnen plaat­sen. Nu ben ik alleen beledigd. Vernederd. Woest. Een dag later probeer ik nog een ander restau­rant. Het is beter, maar weer te weinig voor te veel geld. Men ver­dient het hier te makkelijk.

Ik koop in de supermarkt een fles wijn en vette hertenpaté en trakteer mezelf op een heerlijke lunch vanwege het bereiken van Le Puy-en-Velay. Ik word ‘s middags een beetje tipsy van de wijn en dommel half weg in de warmte. Ik besluit om verder zelf maar te koken en in Le Puy niet meer naar een restaurant te gaan. Alles wat ik op mijn kam­peersetje klaar kan maken is beter dan wat ik voor hetzelfde geld in een restaurant krijg. Met een beetje sla erbij zelfs beter.

Het is tijd voor de kathedraal en het klooster.

Ik loop de ronde wegen door de stad tot ik beneden de Rue des Tables sta. Ik kijk naar boven, de lange weg en de trappen. Het front van de kathedraal met zijn Arabi­sche bogen. De narthex. Daar ga ik dan maar. Een hele klim. Rustig aan over de middel­eeuws geplaveide straat tot het begin van de trappen. Linksaf zou mij omlo­pend bij de toren en de doopkapel van Johannes bren­gen. Rechtsaf moet je rondlo­pen langs het bisschoppelijk paleis om via een smalle trapstraat bovenaan bij de sa­cristie en de Por­che du For uit te komen. Uiteindelijk kun je helemaal achter om een rondje lopen.

Ik loop recht naar boven de trappen op en kom in de narthex. Oude romaanse schil­deringen. Zeer oude cederhouten deuren met Arabisch[!] opschrift. ALLAH. Er is veel beschadigd in dit voorpor­taal, maar ook nog heel veel te zien. En er wordt driftig ge­res­taureerd. Ik loop door, verder de trap op naar een kalige tussen­ruimte waar je rechts- of linksaf kunt.

Allah in Le Puy en Velay

Allah in Le Puy en Velay

Maar als er geen mis is kun je ook rechtdoor. Dat doe ik. Ver­der naar boven. Dan ben ik echt verrast. Uit de nauwe trapkast kom je plotse­ling midden in het hart van de kerk recht voor de zwarte ma­donna in haar gekant­kloste ge­waad, het afgodsbeeld waar omheen de verering van Maria is gebouwd. Links ligt in een kapel de tafel van de dolmen van de voorchristelijke verering. Een wonder­steen tegen koortsen en van Ma­riaverschijningen. In de 8e eeuw verwijderd van haar steunen op de altaarplaats en opzij ge­legd. Het is een fantastische entree. Het hart is ook het oudste stuk van de kerk en dateert uit de 5e eeuw, maar al jaren ervoor was er een heiligdom. Het ge­heel wordt in de 11e en 12e eeuw uitge­bouwd tot wat het nu is. De kapellen in het noordelijk transept zijn nog origineel geschil­derd. Aan de an­dere kant zijn de schil­deringen recent. De rest van de kerk is kaal op wat kunstwerken na. De koepelconstructies van het schip zijn geweldig. Achtkan­tig doen ze me direct den­ken aan de Arabi­sche constructies die ik ken, hoewel de achtkantige toren een ken­merk van het ro­maanse is en bijna een handels­merk van Cluny.

De kathedraal is gebouwd boven op de heuvel en dat geeft aan­leiding tot een zeer bijzondere ar­chitectuur. Het is niet de meest spectaculaire romaanse kathedraal. In bepaalde opzich­ten is ze zelfs niet romaans. Maar het is een in constructie en kunst­uitin­gen zeer bijzondere kathedraal. Sterk Arabische in­vloeden in dakcon­structie, de deuren en de boogconstructies met kleuraf­wisse­ling in de stenen. Als ze door Ara­bieren was gebouwd zou ik niet ver­baasd zijn. Het gebruik van de heuvel in de ar­chitec­tuur met de narthex onder het schip van de kerk dat in een rechte façade re­sulteert. En bovenal de aanwezig­heid van het voorchristelijk al­taar. De tafel van de dolmen inge­bed in de kerk.

Ik ben onder de indruk. Dat is ook de bedoeling van dit soort gebouwen. Ze worden gemaakt om indruk te maken. Er is geen verschil met seculiere gebouwen als palei­zen, kastelen en stad­huizen. Allemaal om het gezag te legitimeren en te benadruk­ken.

Een legitimatie van het kerkelijk gezag zie ik niet in de kerk, ei­genlijk ook geen ge­zag. De benadrukking wel.

Ik bekijk het hele complex. Klokkentoren, dodenkapel, relieken­kapel, doopkapel van Johannes, bewaakt door twee leeuwen en het klooster met de schat. Het is allemaal aardig, maar het is de kathedraal die imponeert. Het is het geheel dat imponeert.

Ik ga weer naar beneden. Ik wil nog even de stad rond lopen, internet bekijken en dan klaar ma­ken om de vertrekken. Ik moet nog een pakket met spullen naar huis sturen. Op internet zie ik dat het weer warm gaat worden. Zo warm dat ik besluit nog maar even te blijven. Het is vrijdag 1 au­gustus. De tent staat gelukkig prima. Bijna de gehele dag in de schaduw. Wel tegen­over het toilet­blok. Dat is minder. Het wordt ‘s middags minimaal 35 gra­den in de schaduw. Er zijn dagen dat het heter is. Ik loop ‘s och­tends wat rond door Le Puy, koop een krant en een koffie en om elf uur lig ik amechtig bij de tent. Als een co­mateuze amoebe zit ik de tijd uit.

Toch zie ik wandelaars aankomen en vertrekken. Zie ik het niet goed? Is het toch mogelijk te lo­pen? ‘s Ochtends is het soms zo koel, ongeveer twintig graden, dat ik denk het kan. Maar een paar uur later weet ik dat ik waarschijnlijk de kraterrand niet eens over was gekomen. Sybille en Chris­tine, twee Duitse vrou­wen komen met een auto vol spullen aan. Wir haben auch Profi-spullen hoor, zeggen ze vrolijk. Ze leggen uit dat ze in twee weken naar Con­ques willen lopen. Spiritualiteit van de route op­snuiven. Sybille laat me hun Duitse boekje zien. Alle­maal tekst en wat schemati­sche kaartjes. En vooral veel spiri­tueels. Een tekst. Ultreïa Santi­ago. Het pelgrimslied. Ze vraagt of ik dat ken. Nee, ik moet haar teleurstellen. Zo’n pelgrimin­gewijde ben ik niet. Ik waarschuw ze voor de hitte en het ge­wicht. Ze bedan­ken me, maar gaan toch. Ze pakken de rug­zakken en dat gaat beter dan ik had gedacht, de spullen in de auto in gedachten hebbend. Ze zijn voor dag en dauw vertrok­ken. Tja, als zij het kunnen moet ik het toch ook kunnen denk ik. Twee dagen later zie ik Sybille in de stad. Ze hebben vijftien kilometer gelopen en toen is Christine bezweken. Te heet, te zwaar. Ze gaan verder in een zeer gematigde vorm.
Ik zal nog meer Duitsers tegenkomen op de Route Saint-Jac­ques. Het is wonderbaar­lijk zo slecht als ze zijn voorbereid. Ze doen hun reputatie die ze in Nederland hebben met betrekking tot gründ­lichkeit ge­weld aan. Geen kaarten. Slechte kaarten. Te zwaar beladen. Geen idee waar San­tiago ligt. Geen idee over de terrein­gesteldheid. Te laat vertrekken. Het gaat maar door.
Een stel Fransen, een moeder met twee dochters en schoon­zoon, vertrekken ook van de camping. Korte broek, witte be­nen. Zo achter het bureau vandaan. Toch zien ze er niet oner­varen uit. Goede spullen. Maar dat hebben alle Fransen. Een dag later ko­men ze terug. Benen verbrand. Ze gaan dorstig aan de kraan en onder de douche. Lange broek aan en twee uur later zijn ze weg. De va­kantie wordt aan het water voortgezet in meer gema­tigde vorm.

Zo zijn er nog een paar voorbeel­den. Ik zie na­tuur­lijk maar een klein deel van de opgaven, want veel Fransen stappen waar­schijn­lijk meteen op de trein, worden opgehaald of verblij­ven in gîtes. Het is gewoon niet mogelijk om in dit weer goede afstanden af te leggen op een parcours zoals voor me ligt. Zij die lopen en niet op­geven, hebben het zwaar en drinken erg veel water. Er wordt door de brandweer gewaarschuwd niet te ver­trekken. Later hoor ik dat ze daad­werkelijk mensen van de route hebben moeten halen. Het is moordend.

Ik bedenk dat, als ik drie weken vakantie had gehad en een stuk van de route had willen lopen vanuit Le Puy, ik waar­schijnlijk toch ook vertrokken was. Ik was meer eager geweest. Feller. Het lopen is voor mij een dagelijkse bezigheid geworden. Werk. Dan kijk je wat meer uit. Je wordt wat rustiger. Ik heb altijd morgen nog.

Ik koop een nieuw shirt en kijk ook eens onder mijn schoenen. De zolen zijn versle­ten. Het profiel is bijna helemaal weg. Het is ei­genlijk niet verbazend. Ik heb toch ongeveer 1750 kilometer gelo­pen. Ik besluit nieuwe schoenen te kopen. De verkoper lijkt op de gerant van het Spaanse res­taurant. Volstrekt ongeïnteres­seerd gooit hij een schoen naar me toe. Als ik zeg dat ik zwaar­dere schoenen wil hebben, type B/C, heavy trek­king, zegt hij dat niemand die koopt. Ik wel, zeg ik. Hij heeft ze, dus er­gens zal dan toch wel handel zitten. Tot slot wil ik eigenlijk geen Gore-Tex als voe­ring in de schoen. Ik wil leer op leer. Dat gaat nu toch echt te ver en hij zegt dat leer op leer uit de tijd is. Dat hebben ze niet meer in Frankrijk. Hij houdt voet bij stuk en ik kan kiezen of de­len. Ik neem de schoenen maar. Ze lopen prima, alleen zweet ik te­veel voor dit soort voering. Ze­ker in dit soort tempe­raturen. Gore-Tex is prima, maar wel bij tempera­turen onder de twintig gra­den. Dat geldt voor schoenen, broe­ken en jacks.

Af en toe valt er een onweersbui. Het is een druppel op een gloei­ende plaat. Sinds Sedan heb ik geen regendag meer ge­had. Al­leen in Montbrison is het echt heftig ge­weest. Verder alleen lichte buien.

Het is droog. Ontzettend droog.

Om de schoenen in te lopen loop ik twee keer naar boven naar de kraterrand. Een keer over de GR65, de vertrekroute en een keer over de GR3, de aankomstroute. Van beide kanten is het een schitterend uitzicht op de stad. Zonder bagage loop ik de af­stand in een ruim half uur. Het zijn mooie wandelingen. Ik begin een beetje wanhopig te worden. Ik zit nu al twee weken in Le Puy en er lijkt geen einde te komen aan deze vierde hit­tegolf. Als dit zo door gaat, ga ik de processie met de Ma­ria­rondgang nog meema­ken op 15 augustus.

Het is heet. Erg heet.

Het gaat nog een week zo door. Bij een boekenantiquariaat zie ik L’Architecture reli­gieuse a l’épo­que Romane dans l’ancien diocèse du Puy dat ik in Retournac had ge­zien op de camping. Hij wil € 750,- hebben. Te veel. Het is wel compleet en origi­neel. Folio­bladen nog niet opengesneden. Maar Jezus, wat een be­drag. Op internet zie ik dat hetzelfde boek in dezelfde staat op een veiling € 125,- heeft opgebracht.

Hitte, droogte, mensen vertrekken en komen terug om het op te geven. Chagrijnige koppen van de hitte. Ik drink elke dag een kop koffie in Terranga – gastvrijheid in het Senegalees. Ik kan ook mijn e-mail in dat café lezen. De baas leer ik zo een beetje ken­nen. Als ik hem vraag hoe hij aan de naam komt, blijkt dat hij elke winter in Se­negal gaat overwinteren. Net als de Neder­landers in Frankrijk en Spanje. Lachen. Nog even en de Noren komen naar Nederland. Het is mijn rustpunt in Le Puy. Dan, op woensdag 13 augustus, weet ik dat het voorbij is. De tempera­tuur gaat da­len. Omdat het al zo ver in de week is blijf ik nou toch ook maar om de Mariaprocessie mee te maken. Ik ben niet alle jaren in Le Puy-en-Velay. Donderdag is het nog behoorlijk warm. Ik maak de uitrusting klaar voor vertrek. Gooi wat spullen weg en stuur wat op naar Peter. Ik ben klaar.

‘s Avonds is het fakkeloptocht. Eigenlijk is het niets meer dan een processie voor de kinderen met kaarsjes. Bij de kathedraal is een koor opgesteld. Volwassenen en jeugd. Niet groot. Alle­maal a capella en erg zuiver. Bij het inzingen zingen ze iets dat ik niet ken, maar dat echt indrukwekkend is. Later op de avond herha­len ze dat he­laas niet meer. Het officiële werk bestaat uit alle­maal po­pulaire kerkliedjes die de massa mee kan zingen. En die dat ook doet. Er worden veel weesge­groetjes gebeden afge­wis­seld met korte gebeden en liederen. Daarna kan iedereen de kathedraal in om Maria te aanbidden, de biecht te doen, waar speciaal extra priesters voor in de weer zijn, of wat mensen dan ook zoal in een kathedraal doen om negen uur ‘s avonds. De aartsbisschoppen van Vilnius en Avignon zijn aanwezig evenals de bisschoppen van Fréjus, Toulon en Le Puy-en-Velay. Het is echt een belangrijke happening.
Het mooie moment is toch als de optocht vanaf beneden de Rue des Tables oploopt. Dat gaat al eeuwen zo en ik kan me voor­stellen, dat het niets met de katholieken te maken heeft. Het is ge­woon een seculiere optocht die geannexeerd is door de Kerk. In de Keltische tijden deden ze dit waarschijnlijk ook. Dit is van alle tijden. Van vroe­ger, van nu, van de toekomst. Dat hier nu een kerk staat heeft er niets mee te ma­ken.

Die gebruikt het alleen. En de mensen laten zich gebruiken.

De dag er op is het iets koeler, maar toch nog flink warm. Het is 15 augustus. Maria-Tenhemelop­neming. Er zijn toch wel ette­lijke duizenden mensen op de been. Door de luidsprekers, overal in de stad, hoor ik klassieke muziek. Ik herken de vijfde symfo­nie van Beethoven, de ouverture 1812 van Tchaikovski, de ou­ver­ture Wilhelm Tell van Rossini en tot mijn stomme ver­bazing de treur­mars van Siegfried uit Der Ring des Nibelungen van Wag­ner. Als deze vier op zijn begint het weer van voren af aan. Ik vind de muziekkeuze niet iets voor een feestelijke Ma­ria-Ten­he­melopne­ming, maar dat is persoonlijk. Er is vandaag geen religi­eus koor te horen. Zou dat te duur zijn of hoort het er ge­woon niet bij?

Om drie uur ‘s middags is de Mariaomgang. Ik sta boven aan de Rue des Tables daar waar ik voor de trappen nog net links- of rechtsaf kan. De vijf bisschoppen staan bo­ven aan de trap op het po­dium. Er wordt gelezen en weesgegroetjes gebeden. Dan zie ik de zwarte madonna naar buiten gedragen worden. De stoet stelt zich op en langzaam gaat het de trap af. Er wordt via de spea­kers verzocht om stil te zijn als het beeld langskomt. Tot mijn verba­zing werkt dat ook. Het is toch wel wat om het beeld in haar spe­ciale gekantkloste mantel over een blauwe jurk, wie­gend in haar draag­stoel, van de berg af te zien komen. Dat is op zich impo­sant, maar ik begrijp de reli­gieuze betekenis niet. Ik voel er he­lemaal niets bij. Ze begint aan haar rond­gang. De geestelijk­heid heeft speciale kleren aangetrokken en draagt vaandels mee. Al­lemaal met een speciaal kruis erop. Het Jeru­zalemkruis. Ook ge­bruikt door de Tempeliers. Een recht­streekse relatie met de kruistochten. Zou dat de religieuze betekenis zijn?

Er is geen toeval.

Het beeld wordt door vier man rondgedragen. Het zal een hele eer zijn, maar als ze terugkomen is er minimaal één erg slecht aan toe. Knalrood en zwaar bezweet alsof hij twintig kilometer heeft gelopen bij 40 graden met twintig kilo op zijn rug. Het is blijkbaar toch warm en de stoel zwaar, zo heuvel op. Als ze terug is en bovenaan naast het podium wordt neergezet, heb ik meer wees­ge­groetjes gehoord dan in heel mijn leven hier­voor. Dat wil toch wat zeggen, want ik kom uiteindelijk uit een katho­lieke fa­milie. Er wordt nog meer gebeden en de bisschop van Le Puy geeft alle hoge heren de mogelijkheid om wat te zeggen. Dat doen ze en als dat gebeurd is, krijgt de massa de zegen. Vijf bisschoppen syn­chroon. Dat moet toch goed zijn. Ik zie rechts van me de gerant van het Spaanse restaurant om­hoog rennen om dichterbij te zijn. Daar zal de zegen nog wel sterker en beter zijn. Misschien vraagt hij wel vergiffenis voor wat hij zijn klanten aandoet. Na de zegen krij­gen de vijf ap­plaus. Dat snap ik niet. Zo geweldig was de voorstelling nou ook weer niet. Ik ga de trappen niet op, want daar staan net als gisteravond, strategisch opgesteld, de collecte­bussen.

Interieur kapel Saint Michel d’Aiguilhe in Le Puy en Velay

Interieur kapel Saint Michel d’Aiguilhe in Le Puy en Velay

Het is goed dat ik dit heb meegemaakt. Gelukkig in een ge­woon jaar. Het is druk in de jaren dat het feest van Saint-Jac­ques, op 25 juli, op een zondag valt. In een jaar dat de aan­kondiging van de geboorte van Christus, op 25 maart, negen maanden voor 25 december, samenvalt met Goede Vrijdag schijnt het helemaal spektakel te zijn. Een jubeljaar. Dat komt minder vaak voor. Pa­sen valt altijd op een zondag. De eerste zondag na de eerste volle maan in de lente. Reken zelf maar uit wanneer het feest is. In die jaren zijn er veel, heel veel pel­grims in Le Puy. In 1407 kwamen er 200 pelgrims om in de drukte van de massa. De Rue des Ta­bles is smal. Le Puy is klein. Dat was goed, want het was lijden en dood. En dat is erg christelijk. Zeker op een pelgrims­tocht. In 1429, een jubeljaar, kwam Isabelle Romée ondanks dat risico naar Le Puy om te bidden voor het welsla­gen van haar dochters’ onderneming. Het is gewoonte om gebeden mee te geven aan pelgrims die ze dan in Compostela preve­len. Ik vraag me af wat ze over de afloop van haar dochters’ operatie in rela­tie met pel­grims heeft gedacht.
Ik heb genoeg gezien van Le Puy. Het wordt koeler. Niet koud. Het blijft tussen de 25 en 30 gra­den. Maar het is loopbaar. Ik heb hier niets meer te zoeken.

Het is tijd voor de GR65. Het is tijd voor de Route Saint-Jac­ques.

 

Geef een reactie