Fragment Eerste Reis

De avond valt rustig. Geen wind, geen onweer. Warm.

Het brood weet ik ondertussen te bemachtigen. Gewoon op tijd in een dorpje zijn als je een toeter in de verte hoort, of de bakker op de weg staande houden. De gewone inkopen blijven een probleem. Er zijn wel genoeg dorpen, maar niet genoeg mensen in Noord-Frankrijk om de winkels open te houden en een redelijk inkomen te bieden. Ook nu weer begin ik door mijn voorraden heen te raken en volgens mijn gesprekspartner van gisteravond moet er in Tarsul of Saussy iets zijn.

Ik ga op weg voor een lange wandeling. Tarsul is een leuk dorp, maar heeft niets aan voorzieningen. Er is veel water en vroeger moet dit dorp een behoorlijke nijverheid gehad hebben. Er zijn molens geweest en een smidse. De straatnamen wijzen op een florissant verleden. Maar nu is het alleen nog maar een aardig dorp. De bussen met schoolkinderen die vertrekken als ik er aan kom, wijzen er op dat er niets is in dit dorp. Als er een school is, zijn er meestal ook winkels. De kinderen stappen dan ‘s ochtends uit in plaats van in.

Ik loop door over een asfaltweg en een stevige heuvel naar een wat geïsoleerde vallei met het dorpje Vernot. Het dorpje is eigenlijk niet meer dan een kruising waar wat huizen omheen zijn gegroepeerd, maar op die kruising staan een kerk, de Mairie en de lavoir. De deur van de lavoir is open en ik ga zitten. Schoenen uit, sokken uit. Rust. Er is niemand. Dit is waarom dit soort plekken goed zijn op een pelgrimage als de mijne. Het zijn niet de godshuizen die mij boeien, het is de rust van deze seculiere verzamelplaats, huishoudelijk gereedschap en waterbron, die mij treft. De bakker komt langs en ik koop stokbrood, croissants en wat lekkers. We maken een praatje en ik vertel waar ik vandaan kom en wat ik doe. In alle rust zit ik weer in het lavoir mijn vroege lunch, het is pas rond half elf, te verorberen. Ik heb geen zin om op te stappen en het wordt een lange pauze. Het is een prettige plek. Dan toch maar verder. Als ik had geweten wat er komen zou, had ik waarschijnlijk een kampeerplek gezocht.
Nu ben ik onderweg en moet ik verder.
Principe.
Teruglopen kan ik niet, doe ik niet.

De route gaat het bos in en begint te stijgen. Het is niet eens ver, maar het gaat continu omhoog en niet een klein beetje. Het laatste stuk gaat in haarspeldbochten echt steil omhoog. Zeker vijftig tot vijfenzeventig meter. Niet schokkend, maar het is heet. Moet ik het nog opschrijven? Het zweet loopt in straaltjes mijn lichaam uit. Boven rust ik even en loop dan verder. Het pad komt langs een open plek met een schitterend uitzicht over de heuvels en een plaquette. Het is een natuurgebied, maar dat stond niet aangegeven van de kant waar ik aankwam. Blijkbaar bestaan er ook eenrichting-natuurgebieden. Langs de begraafplaats loop ik Saussy binnen. Ik ben op 554 meter hoogte en Vernot ligt op iets meer dan 300 meter. Krap 250 meter geklommen aan een stuk. Het is een stevige klim, ik ben kapot.

Dan de teleurstelling. Geen épicerie in Saussy. Helemaal niets in Saussy. Er was een winkel. Het versleten bord hangt er nog. Ik ben een jaar te laat. Een inwoner zegt dat er in Messigny-et-Vantoux een épicerie moet zijn. Dat is tien kilometer verderop en vijf kilometer van Dijon waar ik niet heen wil. Het is middag en ik wil eigenlijk nergens heen. Ik neem het noodscenario en besluit te liften naar Messigny. Dat lukt, maar ook daar is geen kruidenier. Dat wordt vervelend, want ik wil Dijon niet in. Ik heb mezelf beloofd de grote steden gedurende de wandeling te mijden. Ik lift dus terug naar de route en zoek een camping. Dat kan gelukkig worden gecombineerd en ik eindig op een camping vlak voor Darois. Effectief heb ik nu een kilometer of tien van de route overgeslagen. De dag er op moet ik dan maar een kruidenier vinden. Ik heb nog wat noodrantsoen. De camping is in een dennenbos en dus is het eerst dennenappels ruimen. Er is geen horizontaal plekje te vinden. Later op de avond is er een groep Fransen die lang luidruchtig blijft. Ik baal. Het is een slecht einde van een prachtige wandeldag.

Het is al warm als ik vroeg opsta. Ik loop twee kilometer naar de route en lift naar Pasques om vandaar in Fleury-sur-Ouche te komen, alwaar geen winkel en geen camping is. Dan maar verder gelift naar Velars-sur-Ouche, alwaar wel een winkel, een supermarkt zelfs, maar geen camping is. Dit dorp ligt ideaal voor een camping. Aan de GR7, alle faciliteiten aanwezig en vlak voor een redelijk zware etappe via de Notre Dame d’Etang naar Chamboeuf. Maar niemand is blijkbaar ooit op het idee gekomen. Of er loopt zelden iemand op de GR7.

Ik doe mijn inkopen en informeer naar de dichtstbijzijnde camping. Sainte-Marie-sur-Ouche. Tien kilometer verderop. Ik ga weer liften in de bloedhitte van na de middag. Terwijl ik daar sta komt er een oudere man, ik schat toch ruim in de zestig, met lange grijze baard en rugzak langs. Echte pelgrims hebben lange grijze baarden. Een Duitser die echt op pelgrimstocht naar Santiago is. We praten even en hij gaat door, al heeft hij hiervoor grote problemen gehad met de hitte en zijn watervoorraad. Hij heeft net twee dagen in Dijon gebivakkeerd om bij te komen. Hij loopt eigenlijk niet op een boek of kaart. Heeft geen idee waar de dorpen en waterpunten zijn. Slaapt gewoon onder de blote hemel als het kan. In Duitsland gaan boeken rond over de pelgrimage naar Santiago, dat wil je niet weten. Geen kaarten, geen adviezen. Ga maar op weg wordt daar gezegd. En de mensen gaan ook nog. Het is echt [voor] middeleeuws. De GR7 wordt als pelgrimsroute gepresenteerd. Hoe is het mogelijk? Dat is gewoon een wandelroute van de Vogezen naar de Pyreneeën, uitgezet door de FFRP kort na de oorlog. Je kunt elke route wel pelgrimsroute noemen. Het is belachelijk die pelgrimsgekte.Ik zeg hem dat het erg heet gaat worden en wens hem succes. Bonne route. Hij groet terug en loopt verder.

Al mijn liften vandaag en gisteren praten over het geweld op straat en vragen of ik daar iets van merk. Nee dus. Het is wel tekenend voor de streek. Er verandert hier iets. De vriendelijke houding, bijna onbekommerdheid, van de Noord-Fransen lijkt te verdwijnen. De mensen worden voorzichtiger. Onvriendelijker is het niet, wel zeer terughoudend. Ik krijg mijn lift naar Sainte-Marie-sur-Ouche en zet in de moordende hitte, onder het toeziend oog van de Bourgondische madonna boven op de kerk, mijn tent op een grasveld waar al het gras al is verdord.

Het is droog. Kurkdroog.

Vanaf mijn vertrek uit Sedan op 25 mei heeft het niet meer geregend en is het heel heet geweest. De grond is kurkdroog. De gewassen groeien niet meer. De rest van de dag doe ik niets. Het is de langste dag. Het is zondag. Het is ook de heetste dag tot nu toe. 36 graden in de schaduw. Ik ben kapot. Ik neem vrij.

Als ik de zondag heb overgeslagen en alleen wat bij het Bourgondisch Kanaal heb staan kijken naar grote platte boten, met een paar Amerikanen erop die met heel veel domme kracht een sluisdeur open proberen te duwen, loop ik weer. Na drie kilometer langs het Bourgondisch Kanaal een stijgende route naar de GR7 die ik in Chamboeuf weer ontmoet. Het begint nu toch echt op Bourgondië te lijken, want daar tref ik de eerste wijnboeren. Er is ook een prachtige wegwijzer van de GR7 en voor het eerst spijt het me dat ik geen fototoestel bij me heb. Gebouwen en monumenten kun je uit boekjes halen als dat nodig mocht zijn. Deze wegwijzer kom je nergens anders tegen. Deze is echt deel van de tocht. Misschien ooit nog eens als ik weer in Frankrijk ben.

Ik kampeer in Chamboeuf. Het is nog vroeg, maar ik vind het welletjes. Als het weer zo heet wordt als gisteren, moet ik bijtijds stilstaan. De camping is nog in aanbouw en niet duur. De eigenaresse neemt brood voor me mee. Ik houd me die middag weer heel stil. Het is weer warm, maar gelukkig niet zo heet als gisteren. De vrouw van de camping vraagt of ik een pelgrimsboekje heb zodat ze kan stempelen. Dat heb ik niet, maar blijkbaar komen hier dus echt wel meer mensen op weg naar Santiago langs. De Duitser zal niet de enige geweest zijn en mijn overweging in Velars-sur-Ouche met betrekking tot een camping snijdt dus wel hout.

Ik ga vroeg. Ik loop snel. Via Etang-Virgie om naar de épicerie te kunnen Daar is ook een bakker annex café. Ik neem croissants en een grote bak zwarte koffie. Dat is lekker op de vroege ochtend. Het is net half negen en ik heb al ruim twee uur gelopen. Dan weer verder. Een uur later is het erg warm en als ik een heuvel over moet, loopt het zweet in straaltjes mijn lichaam uit. Het water moet verdampen zodat ik koel. Het gebeurt niet. Ik verlies alleen vocht en zweet me een ongeluk. Dit kan zo niet doorgaan. Ik kan niet eindeloos vroeger opstaan om steeds eerder te stoppen. Ik kan nauwelijks meer een redelijke afstand maken. Door de hitte slaap ik niet goed meer. Ik moet stoppen tot de hitte voorbij is. Ik moet stoppen in een kleine stad waar voldoende voorzieningen zijn.

Ik hou halt in Chevannes. Midden in de wijnstreek, tussen de wijngaarden, even ten westen van Nuits-Saint-Georges. Het is geloof ik een mooi dorp. Ik zie het niet. Ik loop naar de rand van het dorp en begin een liftsessie naar Nolay door een overigens prachtig stukje Frankrijk. Maar welk stuk is daar niet mooi. Moeizaam gaat het. Met wachttijden die in de uren gemeten worden. Over Bruant, Bligny-sur-Ouche en Montceau-et-Echarnant. De route ziet er op de kaart indrukwekkend dik uit, maar er komt geen kip. Uit de laatste plaats kom ik niet weg.
Een man of vier uit de omgeving rijden constant bij me langs, zeggen grijnzend met hun handen dat ze links dan wel rechts afslaan en gaan zo de weg op die ik ook moet hebben. Ik zie ze nooit terugkomen dus waarschijnlijk gaan ze inderdaad ergens links of rechtsaf, om mij vijftien minuten later weer vrolijk te passeren en nogmaals te vertellen dat ze mij niet mee kunnen nemen en dat ze links of rechtsaf slaan. Dat gaat zo drie uur door. Zo hebben ze in de oorlog de Duitsers gek gekregen. Bij een huis waar niemand is, zet ik de tuinslang op mijn hoofd en om zeven uur als het wat koeler begint te worden ga ik toch maar lopend weg. Er komt mij niemand achterop om aan te geven dat hij rechts- of linksaf slaat. Dat valt me tegen.

Ik loop naar Ivry-en-Montagne en vandaar krijg ik vrij snel een lift naar Nolay. De camping is prijzig, € 7,25 wat duur is voor Frankrijk en mijn manier van kamperen, maar ik sta. Ik kan de hitte af gaan wachten. Ik loop niet verder als de temperatuur niet gaat zakken tot onder de 30 graden. Het is 24 juni. Op het land zie ik de combines al oogsten. Ik ben verbaasd. Dat is veel te vroeg. De oogst is dus mislukt. Het is te droog en het gewas is verdroogd. Dood. Het graan wordt er af gehaald. Een tweede snee van het gras kun je wel vergeten. Het brood zal wel duur zijn volgend jaar. Ik bezoek Beaune en schrijf daar een kort internet bericht over de hitte. Ik zie het Hôtel-Dieu van Beaune. Wat een naam voor een ziekenhuis! Echt Gods eigen land. We kunnen niets meer voor je doen, hier moet je op God vertrouwen. Het laatste oordeel van Rogier van der Weyden is schitterend. Wat een details. Wat een kleur. En wat een arrogantie van de opdrachtgevers om zich bij leven te laten afbeelden in het paradijs! Er is een lang lavoir langs de rivier. Verder is het een stad waar hoofdzakelijk bejaarde toeristen in een touringcar komen. En niet bijzonder. Ja, het Hôtel-Dieu was mooi. De busroute van en naar Nolay gaat via de streek van de grote Bourgondische wijnen. Het is een mooie tocht. Maar dan heb je het ook wel gehad. Verder zit ik mijn tijd uit in Nolay. Het dorp zelf is aardig, maar niet groot. Het is te heet. Elke dag is het rond de 35 graden en het gaat maar door. Dan breekt het op 30 juni en het gaat regenen. Het wordt iets koeler. Onder de 30 graden in elk geval. Ik ga weer lopen. Ik ben lam van de hitte en het nietsdoen.

Ik moet weg. Naar Cluny.

Het is 1 juli.