Bewijsvoering

De aanleiding

Op 27 mei verscheen op Sargasso een blog over historische continuïteiten van Jona Lendering.  Hij schrijft – naast een aantal voorbeelden – dat je dingen in de [historische] wetenschap moet bewijzen. Dat lijkt een platitude maar dat is het niet, omdat er door veel mensen die wel eens een boek hebben gelezen, nogal wat geroepen wordt. Ook onzin.

Het blogje lijkt bij eerste lezing een heel logisch rationeel betoog over de moeilijkheid, zo niet onmogelijkheid, om historisch continuïteiten te bewijzen.

Dat is heel relevant, omdat continuïteiten als ze bestaan, aangeven hoe je zou kunnen leren van geschiedenis en,  wat zeker niet minder belangrijk is, of er een voorspellende waarde zit in geschiedenis. Continuïteiten zijn uit de aard der zaak te extrapoleren.

Lendering geeft een aantal voorbeelden waar wel wat op te zeggen en af te dingen valt, maar het echte pijnpunt in dat blog zijn de beweringen over bewijs. Hij zegt:

Waar het mij om gaat is dat wie claimt dat er een continuïteit is, die aannemelijk zal moeten maken. Je zult én iets moeten aanwijzen dat van generatie tot generatie aanwezig is geweest én moeten verklaren hoe dat mogelijk was.

om vervolgens te stellen:

Een ander voorbeeld is de claim dat de westerse cultuur is ontstaan in Griekenland. We moeten dus bewijzen dat daar – en daar alleen – bepaalde belangrijke ideeën zijn ontstaan die in elke generatie aanwezig zijn geweest, zodat wij die ideeën ook echt (met wat tussenstappen) hebben ontleend aan de Grieken. Tegelijk moeten we iets aanwijzen dat garandeerde dat deze ideeën van generatie tot generatie werden doorgegeven. Dan en slechts dan is er sprake van continuïteit; dan en slechts dan kunnen we zeggen dat onze cultuur uit Griekenland komt.

Om over de herkomst van onze democratie te stellen:

[…] dat onze democratie in Athene zou zijn ontstaan, hoewel het bestuursmodel toch echt in de jaren na Alexander de Grote is geliquideerd en de ideeën twee millennia lang nergens bestonden. Je kunt met geen mogelijkheid een continuïteit bewijzen. (mijn accentuering) Onze Europese democratie wortelt in de Middeleeuwse Statenvergaderingen en in Nederland bovendien ook in de waterschappen. En die continuïteit valt wél te bewijzen.

En stelt verder dat continuïteiten niet alleen door de geschiedenis moeten worden aangetoond maar vaak ook door de sociale wetenschappen moeten worden gevalideerd. Hij schrijft:

Wat ik maar zeggen wil: sommige uitspraken over het verleden behoren net zozeer tot het terrein van de sociale als tot de historische wetenschappen. Ik heb het dan nog niet gehad over begrippen als invloed, maar eigenlijk zouden beweringen als zou deze of gene tekst invloedrijk zijn geweest, sociaalwetenschappelijk moeten worden onderbouwd.

En tot slot schrijft hij:

Maar wie iets claimt, moet het bewijzen. Het alternatief is dat je maar wat loopt te roepen en dat gebeurt helaas veel te veel.

Al die beweringen klinken logisch toch? We zijn wetenschappelijk bezig en ook in de niet harde wetenschappen willen we bewijs. Toch wringt er iets. En dat begint bij het verloop van het aannemelijk maken naar het moet bewijzen dat. En het enige (sic) alternatief is dat je maar wat loopt te roepen. Dat is wel erg wart/wit.

Wetenschappelijk bewijzen

Bewijzen in de wetenschap bestaan in verschillende soorten en maten. De echte harde bewijzen hebben een bèta-achtergrond. Een koolstofdatering is een harde wetenschap die binnen bepaalde grenzen een leeftijd van een object aan kan geven. De historische gemeenschap beschouwt koolstofdatering als een hard bewijs en een leeftijd die daarmee is bepaald, wordt niet – of zelden – aangevochten. Het is een gegeven waarmee je als historicus om moet gaan. Het woord bewijs, wordt gereserveerd voor het harde bewijs. Ook in het dagelijks taalgebruik. Als er wordt beweerd dat iets bewezen is, dan wordt bedoeld dat het boven twijfel verheven is.

Maar meer dan koolstofdatering op objecten gaat de geschiedenis om met historische bronnen, geschreven documenten als die aanwezig zijn in de onderzochte periode. En dan wordt bewijs ineens aanzienlijk minder hard, stellingen worden amorf en beweringen worden onzeker. En dit alles om de doodeenvoudige reden dat geschreven teksten niet de waarheid bevatten.

Bewijskracht zal zeker afhangen van het soort document dat wordt gebruikt. Kasboeken hebben een hogere bewijswaarde dan biografieën, simpelweg omdat de gegevens er in eenduidiger zijn – op boekhoudfouten na – dan in biografieën. De biografie van Einhard over Karel de Grote is een aardig voorbeeld van scheve informatievoorziening. De wiki zegt:

Aangezien het werk tevens bedoeld was als een lofprijzing op de grote keizer – wat gezien de opdrachtgever nauwelijks anders had gekund – geeft het geen objectief beeld van de regeerperiode van Karel de Grote. Einhard sloot (bewust?) zijn ogen voor misstanden, met de volkerenmoord op de Saksen als frappant voorbeeld. Ook had hij de neiging dingen te vergoelijken, zoals het voor die tijd twijfelachtige gedrag van Karels dochters.

En om van dit soort bronnen gebruik te kunnen maken, moet men meerdere bronnen bestuderen over hetzelfde onderwerp om zo een rode draad – continuïteiten? – te vinden en zo een hogere aannemelijkheid te vinden.

Waarheidswaarschijnlijkheid

Ja, we hebben het dus over aannemelijkheid. Inductie, deductie en synthese van gegevens die je vindt in bronnen en artefacten. En over verificatie of falsificatie van de onderzochte theorie (de hypothese).

En daar zit het pijnpunt van het blogje van Jona Lendering: eerst even aannemelijkheid noemen en uiteindelijk vervolgens alleen nog maar ‘bewijs’ roepen, zonder de relativering te geven vanuit de wetenschapstheorie. Dat is relevant, want juist in de geschiedwetenschappen is het van het grootste belang op basis van weinig informatie een hypothese op te kunnen stellen en die vervolgens te gaan onderzoeken, dwz bronnen en artefacten te vinden, die de hypothese ondersteunen. Er ontstaat dan een waarheidswaarschijnlijkheid.

Onvolledige informatie

Verder heeft de geschiedwetenschap last van onvolledige informatie. Een geschreven document kan verloren zijn gegaan bij brand, overstroming of simpelweg omdat iemand vond dat het goed was voor de prullenbak. Dat houdt in, dat er altijd en zeker een onvolledigheid van informatie is waar de historicus rekening mee moet houden. Historische bewijzen zijn dus vrijwel altijd inductief, deductief en aggregaat. Er bestaan geen of heel weinig enkelvoudige bewijzen.

Daarnaast, en dat is echt een pijnpunt in de geschiedwetenschap, als iets niet beschreven is (we hebben er geen bronnen of artefacten bij) dan wil dat niet zeggen, dat iets niet is gebeurd of iets niet waar zou zijn. Dat is lastig maar niet te negeren. Wat doen we met de kerkelijke geschiedenis in WOII als we weten dat Pius XII zijn persoonlijk archief door zijn huishoudster heeft laten vernietigen?

Besluit

Om kort te gaan: het roepen dat iets maar eerst bewezen moet worden voordat je het serieus neemt, is zonder de nuancering aangaande de onvolledigheid van informatie, misleidend en tendentieus. De bewijsvoering zoals die wordt geëist is simpel protectionisme van het eigen gebiedje. Iemand beweert iets en je kunt roepen: het bewijs is afwezig en je blijft dat roepen ook als iets aannemelijk is gemaakt. Misschien hoort het bij de wetenschapscultuur van historici om te roepen: bewijs het, maar zonder de wetenschapsfilosofische relativering van het historisch bewijs is het eigenlijk gewoon een dooddoener.

Geschiedenis is vooral veel poneren en hypothese stellen op basis van gegevens. In zoverre ben ik het met Lendering eens, dat als er helemaal geen gegevens zijn, ook geen indirect bewijs, een bewering weinig waarde heeft. Ook een hypothese heeft een argument nodig. Maar dat mag aanzienlijk zwakker zijn dan een inductief of deductief bewijs en dat mag weer zwakker zijn dan een hard bewijs. Het is het aggregaat van bewijzen, die een gebeurtenis waar of niet waar doet zijn. Zoals hij het formuleert zal geschiedenis nooit, of vrijwel nooit, waar zijn.

Alles in overeenstemming met de gemeenschap van historici, want als je alleen maar zwarte raven ziet wil dat niet zeggen dat alle raven zwart zijn. Zodra je een witte raaf ziet verandert het verhaal. Het is daarom ook dat geschiedenis zich beweegt.

De geschiedenis van vandaag is niet meer die van gisteren.
We vinden nieuwe gegevens en passen het verhaal aan.

Mijn reactie op Sargasso

Tot slot moet ik zeggen, dat de voorbeelden die in het Sargasso-blog worden aangehaald voor een groot deel mijn reactie op het stuk bepaalden. Die voorbeelden irriteren en ik heb op een voorbeeld op Sargasso gereageerd. In de context van dit blog wil ik die reactie hier herhalen.

Je zegt:

de weerzin die in de islamitische wereld bestaat tegen het christendom. … De Mongolen introduceerden veel gewelddadiger methoden, pasten die toe op de islam en niet op de christenen, met als eindresultaat dat binnen de islam mensen zich keerden tegen de christenen. Er ontstond dus een antichristelijke attitude. Dat die sinds pakweg 1300 in het Midden-Oosten in elke generatie heeft bestaan en dat er zo permanent druk is uitgeoefend op christenen om zich te bekeren, veronderstel ik bekend – recent voorbeeld – maar ik moet óók bewijzen waardoor die attitude werd doorgegeven.

Let op het woord ‘bewijzen’!

Je claimt hier heel kort dat de Mongolen gewelddadigheid op de islam hebben overgedragen met als gevolg dat de islam de gewelddadige bekeringsdruk begon uit te oefenen op de christenen. Je veronderstelt dat bekend.

Je negeert daar wel mooi bij dat die agressiviteit pas rond 1300 begon. Dat is precies aan het eind van de kruistochten, je weet wel, die lekker agressieve handelingen van de christenen tegen de islam (bv de inname van Jeruzalem). Om het nog maar niet te hebben over Karel de Grote, door jou genoemd in de context van niet exceptioneel agressieve rijken/staten. De bekering van de Saksen door Karel mag je rustig als genocide kwalificeren en er zijn nog wel wat voorbeelden van Karel.

En als je het hebt over permanente bekeringsdruk op de christenen, dan vergeet je de veel oudere permanente bekeringsdruk van de katholieken op de rest van de wereld. Als je het hebt over continuïteit, dan heb je het over de katholieke bekeringsdrang (ik zou bijna zeggen dwangneurose). Een bekeringsdwang/drang die heden ten dage in de katholieke kerkwet is vastgelegd en die een paar dagen geleden nog door de Zwitserse kardinaal Koch werd gememoreerd (artikel KN).

Besluit

Bij historici is het belangrijk, te letten op de argumenten die ze aandragen. Nog belangrijker is het echter, te letten op de gegevens en gebeurtenissen die ze achterwege laten.

Een gedachte over “Bewijsvoering

  1. HansR Bericht auteur

    Op 6 maart j.l. schreef Jona Lendering een blog over Waarheid. Dat blog en de tekst hierboven raken elkaar sterk. Omdat mijn blog negen maanden eerder verscheen als reactie op een tekst van hemzelf en hij daar nooit op gereageerd had, vroeg ik hem in het commentaar of hij mijn blog gelezen had. Zijn antwoorden waren teleurstellend. Een beetje dun ijs denk ik.

Geef een reactie