Een herinnering – Langres

Ik las vanochtend een tweet die mij terug bracht naar 2003, naar Langres. Naar waar mijn tocht, die Niet Naar Santiago zou gaan heten, echt begon. Al realiseerde ik me dat eigenlijk pas later.

Van 31 maart 2003 tot begin oktober 2003 liep ik mijn grote wandeling, La Grande Randonnée, naar het zuiden. Ik had geroepen, dat ik wellicht naar Santiago zou gaan maar dat ik net zo makkelijk een andere kant op zou kunnen lopen. Ik was vertrokken zonder doel, zonder richting. Na een lastige start en de moeilijke Ardennen kwam ik in Noord-Frankrijk aan. Van Sedan tot Langres, liep ik in de vallei van de Maas. Bij het bestijgen van het plateau van Langres verlaat ik die vallei en ga over de waterscheiding naar Langres. Die waterscheiding is het echte onderscheid tussen het Rheinische noorden en het Mediterrane zuiden. Frankrijk begint bij Langres.

Langres is de stad van Denis Diderot, van de kathedraal en van de heilige Mammès. Saint-Mammès heeft er zijn eigen kathedraal en zijn relieken liggen er in de trésor. De stad is een fort op de oude feodale grens van Frankrijk en was wellicht in voorchristelijke tijden een hillfort. In elk geval is de plaats in voor-Romeinse tijd de hoofdstad geweest van de Keltische stam Lingones. Het is een oude plek, een plek met geschiedenis.

Komend uit het lege agrarische gebied, Noord-Frankrijk, die sociale woestijn, was het aankomen in Langres een verademing. Hoewel de stad maar iets van 9000 inwoners telt, was het tegen het einde van de lente, bij de aanvang van het toeristenseizoen een bruisende plek. In mijn herinnering dan. Op de camping was het gezellig, in de stad kon je lekker eten en de oude vesting ademde cultuur.

De oude vesting ademde religie.

Bij deze stad begint de zuigende werking van de religieuze geschiedenis van Frankrijk, die ik begin te ervaren, te voelen en te ademen. Een zuiging die uiteindelijk zal leiden tot mijn boekje, dat niet zal worden gelezen. En de trigger van dat al, was Saint-Mammès. Eigenlijk niet de heilige zelf, maar de gids van de kathedraal, die mij een rondleiding gaf en betoverend wist te vertellen over de heilige, over de relieken en over de kathedraal.

Toen ik weer buiten stond, was ik – ik ben van huis uit katholiek – weer helemaal wakker en de herinneringen aan mijn eigen katholieke verleden kwamen terug. Het is die ervaring, die het boekje heeft gemaakt, die mij de zuiging van het katholieke in Frankrijk heeft laten volgen en die mij die zuiging heeft laten combineren met wat ik al wist. De details invullend met de fysieke ervaring van de wandeling.

Hieronder volgt de beschrijving, uit het boek, van mijn bezoek aan de kathedraal. Met bijzondere dank aan die gids. Een vrouw van een jaar of dertig, vijftien centimeter kleiner dan ik, zwart kort haar, een lange rok, stijl jaren 70 en een studie (kunst)geschiedenis. Irrelevant. Ik was vroeg, ik was de enige.


Fragment uit Niet Naar Santiago en Weer Terug

Na het ontbijt loop ik langs de wallen rond de stad. Het is al vroeg behoorlijk warm en overal schieten kleine hagedissen over de muren en in de gaten tussen de stenen. Prachtig zicht op de stad en het omringende land. Ik bekijk de tweede toren, Petit Sault, en ga naar de kathedraal. Ik was daar gisteren al om te bekijken, maar veel was afgesloten en er zou een trouwtje plaatsvinden.

Vandaag dus. Bij de grote poorten, die nu open zijn, zit een kleine vrouw met kort zwart haar en een lange kleurige rok. Ze vraagt of ik voor de schat kom. Ik knik en ze neemt het kaartje aan. Ze zegt: loop maar vast naar achteren, ik kom zo. Terwijl ze wat spullen opbergt daar bij het hoofdportaal, loop ik naar achteren en zie dat rechts de deuren open zijn. In het transept zijn nu ook grote tapijten te zien. Er is licht. De sfeer in de kathedraal is anders. Ze komt me achterop en wijst waar ik naar binnen moet. Het is een ruime wat kale kapel met rechts achter een in Hindelopen blauw en groen geschilderde deur. Ze maakt die deur open waarachter zich een kleine ruimte bevindt met een aantal kabinetten met luiken in dezelfde kleur als de deur. Ze doet het indirecte licht aan en maakt het eerste luik open en in de vitrine erachter staan de oude schatten van de kerk.

Dan begint ze te vertellen.

Over de ouderdom van de kerk, over de stukken uit de twaalfde eeuw met de Byzantijnse invloed. Misschien wel uit Byzantium wat niet onmogelijk is na de plundering van Constantinopel door de kruisvaarders. Over Mamès, waaraan de kerk is gewijd, met zijn leeuw en naar buiten hangende darmen en over hoe zijn schedel in de gou¬den buste terecht is geko¬men. Een pelgrim had de schedel meegenomen van zijn reis naar het Heilig Land. Pelgrims waren echte lijkenpikkers. In die tijd deed men daar niet moeilijk over. Relieken waren belang¬rijk voor de kerken en steden. Het aanbidden van God was wellicht belangrijk, maar daar hadden de gelovigen blijkbaar weinig boodschap aan. Relieken en heiligenbeelden waren van groter belang en trokken de gelovigen en pelgrims aan. Goede relieken waren dus belangrijk en goed voor de economie. Aangekomen in Langres viel de pelgrim in slaap onder een boom en toen hij wakker werd zat de schedel niet meer in zijn bagage, maar lag op een tak in de boom. Hoe hij ook moeite deed: de schedel kwam niet naar beneden. Daar moest de bisschop bijkomen. Die kreeg de schedel er ook niet uit. Toen kwam een oude man langs en die zei dat de kathedraal aan Mamès moest worden gewijd. Nadat de bisschop dat had gedaan, de kerk was aan Johannes toebedeeld, viel de schedel zo uit de boom. Tja.

Ze vertelt over de diamanten en briljanten in de kransen ter versiering van de gouden buste.

En vooral ook over de madonna’s met kind. Een van marmer uit de 14e eeuw en een van porselein uit de 17e eeuw. Een degradatie in kwaliteit. Maar ze vertelt ook dat hier op de grens van Bourgondië de madonna’s Bourgondisch zijn. Anders dus. De Bourgondische vrouwen dragen het kind hanchée. Op de heup dus. De rechterheup. De knie van het been iets gebogen en de heup iets scheef opzij. Normaal houdt de madonna het kind met de rechterarm omhoog om te tonen aan het volk en om te voorkomen dat het kind, als het zegent met de rechterhand, met zijn hand voor het gezicht van de madonna komt. De Bourgondiërs zijn menselijk, lijkt hun variant te willen zeggen. Het is in elk geval mooier.

Bourgondische madonna op de kerk van Sainte-Marie-sur-Ouche

Om te zorgen dat ik het goed begrijp, doet ze het voor. Knie gebogen, heup opzij en de hand erop om duidelijk te maken dat de Bourgondische madonna’s apart zijn. Dat is aanschouwelijk onderwijs. Hierna zie ik overal Bourgondische madonna’s. In Sainte-Marie-sur-Ouche staat ze zelfs boven op de kerk.

Ze staat dicht bij me en legt me de woorden bijna in mijn oor. Ze begrijpt dat ik geen Fransman ben en spreekt duidelijk en rustig. Ze spreekt heel nadrukkelijk en ik begrijp het Frans. Een wonder! De monstransen glanzen, de kelken bloeien. Het goud glimt en de stenen glanzen. Het is een prachtige trésor, gered uit de handen van de revolutie via het graf van een eenvoudige boer. Ik ben nog nooit zo gegidst, er is mij nog nooit zo kunstgeschiedenis uitgelegd. Ik voel me bevoorrecht dat ik de enige ben. Het licht gaat uit. De vitrines gaan dicht. Bij het weggaan vertelt ze nog over de wandtapijten, die nu zichtbaar en belicht zijn. Over de romaanse kapitelen. Maar de magie is weg en er komt een echtpaar aan dat de schat ook wil zien. Ik zeg goedendag, bedank haar en ik ga.

Geef een reactie